5 misverstanden over reanimatie

5 misverstanden over reanimatie

Eindig je na reanimatie als een kasplantje?

Het aantal Nederlanders dat niet gereanimeerd wil worden, stijgt in rap tempo. Velen zijn bang als kasplantje te eindigen. Maar is die angst wel terecht? Vijf veelgehoorde misverstanden.

1. Een hartstilstand herken je gemakkelijk

Je ziet het vaak in films. Iemand grijpt naar de borststreek en valt dan levenloos neer op de grond. De werkelijkheid is anders. Een hartstilstand kan eruit zien als een epileptische aanval, met ledematen die ineens verkrampen en samentrekken.  Soms komen de vingers in een dwangstand te staan. Het is ook mogelijk dat de patiënt in slaap lijkt te zijn gevallen en snurkende geluiden maakt. Vaak hapt iemand als een vis op het droge naar adem, waarbij de tong een beetje uit de mond komt.

Dit soort reflexen van het lichaam is voor hulpverleners het teken dat de patiënt zo snel mogelijk gereanimeerd moet worden. Vaak is er op zo'n moment sprake van ventrikel- of kamerfibrilleren. Het hart maakt dan alleen nog heel snelle chaotische bewegingen en doet dit zo ongecontroleerd dat van een bloedsomloop geen sprake meer is. Deze bewegingen doven, naarmate de tijd verstrijkt, langzaam uit.

In de volksmond wordt meestal gesproken van een hartstilstand, maar eigenlijk klopt dat niet. Het hart maakt namelijk nog wel bewegingen, er is alleen geen effectieve pompbeweging meer. Daarom spreken artsen over een 'circulatie-stilstand'. Dertig tot honderdtwintig seconden na een circulatiestilstand treedt een ademstilstand op. Het kan nog even duren voordat het hart helemaal tot stilstand komt.

2. Met hartmassage en beademing wek je iemand weer tot leven 

Helaas: hartmassage in combinatie met beademing is niet voldoende om iemand weer 'wakker' te krijgen. De enige effectieve behandeling is het geven van een stroomstoot, ook wel defibrilleren genoemd.

De meeste sportclubs, restaurants, zwembaden, winkelcentra, stations, hotels en kantoorgebouwen in ons land hebben een AED: een Automatische Externe Defibrillator. Die moet zo snel mogelijk worden ingezet, want hoe langer het duurt voordat het hart weer normaal op gang komt, hoe groter de kans is op blijvende schade. De AED geeft zelf aan of de persoon in kwestie gebaat is met een of meer stroomstoten. Er is dan sprake van een zogeheten 'schokbaar ritme'. Dat is het geval bij ventrikel- of kamerfibrilleren. De AED zal ook aangeven wanneer je weer met de hartmassage en beademing moet starten, tussen de schokken door. Dat is belangrijk, want door het pompen op de borst zorg je ervoor dat er zuurstofrijk bloed naar het hart en de hersenen gaat.

3. In het ziekenhuis is de overlevingskans groter dan wanneer je thuis een hartstilstand krijgt 

Iemand die opgenomen is in een ziekenhuis en daar een hartstilstand krijgt, heeft onmiddellijk artsen en verpleegkundigen om zich heen. Je zou dus denken dat de kans om een hartstilstand te overleven daar groter is. Toch is dat niet zo. Wie in een ziekenhuis ligt, mankeert al iets. Een hartstilstand is dan in veel gevallen een teken dat het lichaam 'op' is.

Mensen die bijvoorbeeld op straat een hartstilstand krijgen, zullen over het algemeen gezonder zijn dan mensen die in het ziekenhuis liggen. Zij hebben daardoor betere overlevingskansen. Hoeveel beter is niet bekend.

4. Wanneer je reanimatie overleeft, eindig je als kasplantje

Hoewel een reanimatie na een hartstilstand altijd een ingrijpende gebeurtenis is, loopt de helft van de overlevers weinig of geen blijvende schade op. De andere 50 procent heeft wel klachten na de reanimatie. Eén op de drie heeft hulp nodig bij alledaagse activiteiten. De rest (tweederde) kan zich zelfstandig redden maar heeft wel last van bijvoorbeeld geheugenstoornissen, concentratieproblemen of vermoeidheid. Uit onderzoek blijkt dat leeftijdsgenoten die géén reanimatie hebben gehad, óók dit soort problemen hebben. In hoeverre de klachten door de hartstilstand en reanimatie worden veroorzaakt, is niet duidelijk.

Uit cijfers van onder andere de Reanimatieraad en de Hartstichting blijkt dat het risico om te eindigen als een kasplantje heel klein is. Na een reanimatie buiten het ziekenhuis komt slechts 0,2 procent van de patiënten in een vegetatieve staat.

5. Draag je een niet-reanimeren penning, dan starten ambulancemedewerkers niet met reanimatie

Een niet-reanimeren-penning is een rechtsgeldige wilsverklaring, heeft minister Edith Schippers van VWS verklaard. Hetzelfde geldt voor een niet-reanimeren-tatoeage en ook voor een schriftelijke wilsverklaring met deze strekking. De drager ervan geeft ermee aan dat hij of zij geen reanimatie wil als dit nodig is.

Toch worden mensen met zo'n penning of tattoo in de praktijk vaak wél gereanimeerd. Dat komt doordat ambulancemedewerkers zo snel mogelijk moeten handelen. Het verwijderen van kleding om te kijken of de patiënt zo'n penning of tattoo heeft, zou dan te veel tijd kosten. De ambulanceverpleegkundige óf arts moet wél stoppen op het moment dat de niet-reanimeren-uiting zichtbaar is. Maar dat kan bijvoorbeeld pas op het moment zijn dat de hulpverlener de kleding verwijdert om de zelfklevende elektroden op de ontblote borstkas aan te brengen. De hartmassage en de beademing hebben dan meestal al plaatsgevonden.

De meeste hartstilstanden treden overigens thuis op. Wie beslist niet gereanimeerd wil worden, doet er dan ook goed aan om dit kenbaar te maken aan familieleden, buren en de huisarts.